Catharinahuis Lasondersingel 138
8 SEPTEMBER 2021
Bij de gemeente is een verzoek ontvangen om het gebouw aan de Lasondersingel 138 aan te wijzen als gemeentelijk monument. Dit verzoek is onderbouwd met een historisch onderzoek waaruit blijkt dat het pand een hoge cultuurhistorische waarde heeft. Het verzoek met onderbouwing is voorgelegd aan de gemeentelijke monumentencommissie. Zij adviseert om de procedure tot aanwijzing als gemeentelijk monument in gang te zetten.
Bron: B&W Enschede.
LASONDERSINGEL 138 – EEN BEKNOPTE BEWONINGSGESCHIEDENIS

 

 

De periode Ten Bruggencate
Mr. Ten Bruggencate heeft maar kort aan de Lasondersingel gewoond, hoogstwaarschijnlijk omdat zijn carrière niet geheel naar wens verloopt. Zo is zijn ‘grote wens om rechter te worden verkeken, nadat hij in een dronken bui in Zwolle een politieagent tegen de vlakte had geslagen. Hoewel hij bij zijn vertrek een kostbaar zeiljacht kreeg aangeboden, was hij zo boos over het feit dat hij afgedankt werd, dat hij de twee brandkasten met het archief van de verenigingen op de rug in de tuin liet liggen, zodat de inhoud door de regen goeddeels verloren is gegaan.’ Hij verkoopt de villa op 5 december 1928 aan Hugo Hedeman.

 

De periode Hedeman
Na de verbouwing neemt het gezin Hedeman in 1929 zijn intrek in de villa. Zij zullen het aanvankelijk met veel plezier hebben bewoond: het huis is uiterst comfortabel, de afstand tot de binnenstad en het buitengebied is gering en Hugo Hedeman hoeft dagelijks slechts de Lasondersingel over te steken om Spinnerij Roombeek te bereiken. Ondertussen tekenen er zich in het nabije Duitsland echter ontwikkelingen af die weinig goeds betekenen; in het bijzonder voor het Joodse volksdeel. Vermoedelijk ingegeven door deze ontwikkelingen laat Hedeman in de achtertuin een eenvoudige schuilgelegenheid bouwen, bestaande uit een betonnen buis die half wordt ingegraven en langs de zijkanten wordt voorzien van zitbanken.
Wanneer de bezetting een feit is, wordt Hedeman in de loop van 1941 uit zijn functie van directeur van Spinnerij Roombeek gezet en wordt hij – net zoals vele Joodse lotgenoten – onteigend. Zijn woonhuis komt op 16 augustus 1941 in handen van de ANBO (Algemeen Nederlands Beheer van Onroerende Goederen), die in opdracht van de stichting Niederländische Grundstückverwaltung handelt, de stichting die al het Joodse eigendom in Nederland in beheer neemt en later te gelde zal maken. Hugo Hedeman besluit met zijn gezin te vluchten en laat het toezicht over aan het echtpaar Abramowicz. In november verhuizen de Hedemans naar Amsterdam om van daaruit de vluchtpoging naar Zwitserland te wagen, waar familie woont.

 

De periode Joods Lyceum
Ondertussen tekenen zich in Nederland andere gevolgen van de bezetting af: vanaf de zomer van 1941 mogen Joodse leerlingen geen regulier onderwijs ontvangen en zijn zij aangewezen op onderwijs van Joodse leraren. Om dit vraagstuk op te lossen worden in Enschede in allerijl Joodse scholen opgericht, zowel voor lager- als middelbaar onderwijs. De huisvesting blijkt een lastig vraagstuk, maar uiteindelijk lukt het rond de jaarwisseling 1941-1942 toch om enkele scholen te starten, waaronder het Joods Lyceum dat in de villa aan de Lasondersingel wordt ondergebracht. De school verzorgt daar vanaf 5 januari tot en met 31 december 1942 onder moeilijke omstandigheden onderwijs op HBS- en gymnasiumniveau. Het echtpaar Abramowicz doet al het mogelijke om dit nieuwe gebruik van de villa zo goed mogelijk te faciliteren. Op de achtergrond leidt de onvermoeibare ondernemer Sigmund Menko een en ander organisatorisch en financieel in goede banen.

 

De periode Hasperhoven
Wanneer de bezetter op 28 november 1942 een nieuwe verordening uitvaardigt, meldt de ANBO dat de villa op 31 december geheel ontruimd moet worden opgeleverd. De ANBO is nu gerechtigd onroerende goederen te vervreemden en op 1 maart 1943 vindt de verkoop plaats aan G. Hasperhoven voor een bedrag van 25.000 gulden; tot 31 mei 1949 blijft hij officieel eigenaar. Gerard Hasperhoven is in de jaren dertig geen onbekende in Twente; evenmin in Zwolle en
Den Haag. Hij is een zoon van Janna Hasperhoven en draagt haar achternaam omdat hij niet wordt erkend door zijn vader. Ten tijde van de aankoop van Lasondersingel 138 is hij directeur van de EETO (Eerste Enschedese Taxi Onderneming). In zijn omgeving zullen enkele jaren eerder, op 6 mei 1940, weinigen vreemd hebben opgekeken wanneer de pers meldt dat Hasperhoven op last van de Opperbevelhebber van Land- en Zeemacht is opgepakt en samen met een reeks beruchte NSB’ers is geïnterneerd. Er gaan al langer geruchten over zijn betrokkenheid bij uniform- en deviezensmokkel. Hij wordt door de regering als staatsgevaarlijk beschouwd en wanneer Nederland in mei 1945 na vijf zware jaren is bevrijd wordt hij direct gearresteerd. ‘Met een flesch cognac en een kist sigaren kon ik bij de Duitschers alles gedaan krijgen’, meldt Hasperhoven tijdens een zitting van het Bijzonder Gerechtshof in het voorjaar van 1947. Hij wil hiermee suggereren dat hij vele Joden heeft gered, maar daarvoor is geen enkel bewijs. Sterker nog: de villa was tijdens de bezetting een plek waar volgens Het Parool ‘de S.D. dagelijks over den vloer kwam.’ Op 13 mei wordt Hasperhoven dan ook veroordeeld tot 40.000 gulden boete en een jaar gevangenisstraf voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaar. De boete moet hij binnen een jaar overmaken aan de Stichting ’40-45.

 

De periode Overduin
De man die – in tegenstelling tot Hasperhoven – daadwerkelijk vele vervolgde Joden heeft gered en in Enschede terecht nog steeds bekendheid geniet is dominee L. (Leendert) Overduin. Deze bijzondere man kan de maatregelen die de bezetter uitvaardigt en in toenemende mate verscherpt niet met zijn geloofsovertuiging verenigen en zet zich vanaf 1941 met hart en ziel in voor ieder die bij hem aanklopt. Hij vormt de spil in een informeel netwerk dat aan het einde van de bezetting circa duizend Joden voor transport naar vernietigingskampen heeft behoed, daarbij geholpen door burgers uit alle rangen en standen.
Wanneer de bevrijding een feit is en Gerard Hasperhoven in afwachting van zijn berechting in verzekerde bewaring is gesteld, geven de Zwitserse erven van Hugo Hedeman het recht van gebruik van de villa aan dominee Overduin. Hij zal daar tot 1955 blijven en in die periode onderwerp van controverse worden. Als officier-fiscaal wordt hij namelijk in opdracht van de dienst
Bijzondere Rechtspleging betrokken bij de vervolging van ‘foute’ Nederlanders. Het is niet echt een rol voor Overduin, maar hij zet zich zoals altijd volledig in. Recente studies over die rechtspleging laten een weinig florissant beeld zijn en hoeft dan ook niet te verbazen dat ook in deze nieuwe context Overduin voor de vervolgden kiest.
Oud-NSB’ers weten de weg naar hem te vinden en de trap van de villa zit regelmatig vol met personen die belet bij hem vragen. Tegen deze achtergrond vindt op 3 december 1952 de verkoop van de villa plaats aan handelsagent A.J. Verhulsdonck voor een bedrag van 47.500 gulden. Wanneer Overduin in 1955 in het huwelijk treedt, verhuist hij naar Lonneker.

 

De periode Verhulsdonck
A.J. (Antonius Johannisius) Verhulsdonck is maar enkele jaren eigenaar, dan wel gebruiker van de villa. Nader onderzoek naar deze periode moet nog worden uitgevoerd. Verhulsdonck verkoopt het pand op 17 maart 1958 aan de stichting Het Sint-Catharina Apostolaat voor een bedrag van 50.000 gulden.
De periode Sint Catharina Apostolaat
Wanneer de dominicanessen van het Sint Catharina Apostolaat de villa betrekken, bestaat deze katholieke organisatie al ruim vijfentwintig jaar. Opgericht in Zwolle, is zij gericht op het bieden van gezins- en kraamzorg voor sociaal-maatschappelijke achterstandsgroepen. Stichteres is Marie Trooster (1886-1974), een sociaal-voelende vrouw die haar leven inzet voor minderbedeelden en zich op verzoek van de Dr. Ariënsvereniging aanvankelijk richt op de zorg voor drankzuchtige vrouwen.
De dominicanessen leven in gemeenschap, maar leggen geen kloostergeloften af. Ze zijn zeer actief in het maatschappelijk werk, alles in overleg met het Wit-Gele Kruis, de Mariavereniging en de RK Vrouwenbond. Zo leveren zij decennialang een waardevolle bijdrage aan de maatschappij, die dit soort werk in toenemende mate onderbrengt in wettelijke regelingen waarop iedereen aanspraak kan maken.

 

ARGUMENTEN VOOR BESCHERMING
Het mag duidelijk zijn dat de villa Lasondersingel 138 bijzondere waarden bezit, zowel op architectuurhistorisch vlak, als vanwege haar rol in de geschiedenis van Enschede in de twintigste eeuw. Om de volgende redenen zijn wij van mening dat het pand bescherming verdient als gemeentelijk monument:
-De architectuurhistorische waarde is hoog: het huis is in- en uitwendig een gaaf en sinds 1929 vrijwel ongewijzigd gebleven voorbeeld van een villa in een voor architect Wegerif typerende bouwstijl, zoals hij die hanteerde vanaf het midden van de jaren 1920. Het pand valt op door de eenvoudige hoofdvormen, het bijzondere materiaalgebruik, de unieke detailleringen en waardevolle interieurelementen.
-Het huis is bovendien van cultuurhistorische waarde als voorbeeld van een doordacht totaalontwerp waarin diverse karakteristieke elementen zijn samengebracht die uiting zijn van een bepaalde levensstijl en religieuze achtergrond.
-Op het perceel bevindt zich nog een provisorische schuilkelder die in de jaren 1930 door de toenmalige eigenaar is geplaatst. Het betreft hier naar alle waarschijnlijkheid het enige intacte, door een particulier uitgevoerde exemplaar binnen de gemeente.
- Daarnaast is er sprake van een stedenbouwkundige ensemblewaarde door de situering aan de Lasondersingel, die – samen met Rijksmuseum Twenthe – een fraai bestand aan historische huizen bezit, dat samen met de particuliere en openbare groenelementen een aantrekkelijk, waardevol straatbeeld vormt. Het is een gaaf stuk stedenschoon, iets waar Enschede verder niet bijzonder rijk mee is bedeeld.
-Het pand vormt tevens een herkenbaar element uit een maatschappelijke ontwikkeling. Het pand is gebouwd als huisvesting van de nieuwe, kapitaalkrachtige stedelijke elite, die zich bij voorkeur vestigde in ruime villa’s aan het noordelijke deel van de inmiddels honderdjarige singelstructuur. Deze aanleg van die structuur mag worden beschouwd als een vooruitziende en zelfbewuste daad van het toenmalige gemeentebestuur.
-De bewonings-, c.q. gebruiksgeschiedenis van het pand hangt nauw samen met de ontwikkelingen die Enschede in de twintigste eeuw heeft doorgemaakt, waaronder de verschrikkingen waaraan de Joodse inwoners van de stad werden blootgesteld.

Bron: Aanvraag monumentstatus